Met haar bachelorproef over de begeleiding door ergotherapeuten van mensen met een amputatie won Paulien Buedts de Prijs Academie voor de Eerste Lijn. Vanuit een sterke interesse in fysieke revalidatie onderzocht ze welke ondersteuning ergotherapeuten nodig hebben om deze patiënten thuis beter te helpen. Het resultaat werd een praktijkgerichte brochure en een onderzoek dat een aantal structurele uitdagingen in de eerste lijn blootlegt. Paulien vertelt over haar motivatie, haar bevindingen en haar kijk op de toekomst van de eerste lijn.
Paulien, je onderwerp maakte indruk op de jury. Vond je inspiratie in de themalijst die gewoonlijk door docenten aangereikt wordt?
“Er was inderdaad een lijst met voorstellen, maar ik koos er bewust voor om een onderwerp uit te werken waar ik echt interesse in had, en deed dus zelf een voorstel. Ik denk dat je dan ook meer gemotiveerd bent om verder te zoeken en er echt iets van te maken. Tijdens mijn opleiding merkte ik al snel dat fysieke revalidatie mij enorm aansprak. Vooral werken rond amputaties vond ik heel boeiend. In de lessen werd daar niet zo diep op ingegaan, en misschien maakte dat mij net nog nieuwsgieriger. Toen we een stageplaats moesten zoeken, vond ik niet onmiddellijk een onderwerp dat echt aansloot bij die interesse. Daarom ben ik zelf op zoek gegaan naar een stageplaats. Zo ben ik terechtgekomen in het revalidatiecentrum van UZ Leuven Pellenberg. Daar zag ik van dichtbij hoe mensen met een amputatie van een onderste lidmaat begeleid worden, in het ziekenhuis en bij hun terugkeer naar hun eigen woonomgeving. Dat motiveerde mij enorm om mijn bachelorproef uit te werken rond de noden die ergotherapeuten ervaren bij de begeleiding in de eerste lijn, bij die patiënten thuis.”
Een goed idee en persoonlijke motivatie vormen een uitstekende start voor een geslaagde bachelorproef. Hoe ben je daarna concreet te werk gegaan in je onderzoek?
“Ik heb gekozen voor een mixed-method aanpak. Enerzijds werkte ik met gestructureerde vragenlijsten voor ergotherapeuten in de eerste lijn. Anderzijds deed ik ook semigestructureerde interviews om dieper in te gaan op hun ervaringen en noden. Ik had eigenlijk verwacht dat ik veel meer reacties zou krijgen. Uiteindelijk kreeg ik vijf ingevulde vragenlijsten en enkele interviews. Dat was minder dan gehoopt, maar het toont ook iets belangrijks aan: er zijn nog relatief weinig ergotherapeuten in de eerste lijn die ervaring hebben met patiënten met een amputatie van het onderste lidmaat.”
Dat gebrek aan ervaring met de begeleiding van deze patiënten toont het belang van het versterken van deze expertise. Met welke uitdagingen worden zij vandaag vooral geconfronteerd?
“Praktische informatie en duidelijke richtlijnen voor de behandeling zijn noodzakelijk, maar zijn helaas nog niet voldoende beschikbaar. Ergotherapeuten gaven aan dat ze nood hebben aan concrete handvatten over prothesegebruik, hulpmiddelen en dagelijkse training thuis. Ook praktijkgerichte bijscholingen ontbreken vaak. Daarnaast merkte ik dat patiënten tegenwoordig sneller uit het ziekenhuis ontslagen worden. Daardoor komt er meer verantwoordelijkheid terecht bij de ergotherapeut in de eerste lijn. Maar net daar missen veel professionals nog ondersteuning.”
Onderlinge steun tussen ergotherapeuten en multidisciplinaire samenwerking komen in je onderzoek sterk naar voren. Kan dat een antwoord bieden om de uitdagingen aan te gaan?
“Ja, absoluut. In een revalidatiecentrum werken verschillende disciplines heel nauw samen. Maar zodra patiënten naar huis gaan, valt dat netwerk vaak uiteen. Dan komt er een kinesist aan huis, een ergotherapeut, soms nog andere zorgverleners, maar onderling is er vaak weinig communicatie. Dat maakt het moeilijker voor de patiënt én voor de professionals. Sommige ergotherapeuten vertelden dat ze bewust probeerden samen langs te gaan met kinesisten om beter af te stemmen. Maar dat gebeurt niet altijd. Ik denk dat veel professionals echt vragende partij zijn voor betere samenwerking en communicatie. Uiteindelijk wil iedereen hetzelfde: de patiënt zo goed mogelijk ondersteunen in het dagelijks leven.”
Vanuit je opleiding, onderzoek en eigen ervaring: wat betekent dat voor jou, de patiënt goed ondersteunen?
“Voor mij gaat het niet alleen over fysieke revalidatie. Natuurlijk is leren stappen met een prothese belangrijk, maar even belangrijk is dat mensen opnieuw hun dagelijkse activiteiten kunnen opnemen. Hun hobby’s. Hun sociale leven. Hun zelfstandigheid. Daarom vind ik ook de thuissituatie zo belangrijk. Ergotherapie kijkt echt naar functioneren in het dagelijkse leven. Hoe geraakt iemand opnieuw buiten? Hoe kan iemand opnieuw gaan zwemmen of fietsen? Dat maakt voor veel mensen een enorm verschil.”
Met je bacheloronderzoek leg je niet alleen uitdagingen bloot, je zet ook een stap naar oplossingen om ergotherapeuten in de eerste lijn te helpen bij hun taak. Welke tool bied je hen concreet aan?
“Ik maakte een brochure met onmiddellijk bruikbare info om mensen met een amputatie van het onderste lidmaat te begeleiden. In de brochure staat een handleiding voor het correct aan- en uitdoen van een liner, en ook een draagschema voor liner en prothese. Ik geef ergotherapeuten ook tips voor functionele interventies en hulpmiddelen voor zelfstandig wonen. Via een bronnenlijst en contactinfo van lotgenotenverenigingen wordt ook de stap naar extra informatie kleiner. Onder meer het revalidatiecentrum van UZ Leuven Pellenberg – mijn stageplek – geeft de brochure ook mee wanneer patiënten terug naar huis gaan. Zo kunnen ergotherapeuten in de eerste lijn die informatie meteen gebruiken. Een wondermiddel is de brochure niet, maar wel een praktisch hulpmiddel om naar terug te grijpen. Ik hoop ook dat het andere ergotherapeuten inspireert om met mensen met een amputatie te werken. Het is echt een boeiende en waardevolle doelgroep, maar er is nog weinig ervaring rond.”
Je onderzoek toont hoe professionals in de eerste lijn het verschil kunnen maken. Je hebt intussen, met glans, je diploma op zak. Heb je al een gedroomde carrière uitgestippeld voor jezelf?
“Ik werk momenteel als ergotherapeut in het buitengewoon onderwijs. Dat is natuurlijk iets helemaal anders dan mijn bachelorproef, maar ik leer er enorm veel bij. Ik begeleid kinderen op vlak van grove en fijne motoriek, en daar zie ik toch ook linken met revalidatie. Tegelijk hoop ik later nog altijd in een revalidatiecentrum te kunnen werken, omdat mijn stage in UZ Leuven Pellenberg zo’n inspirerende ervaring was. Ik hoop in elk geval op een loopbaan in de praktijk, want het directe contact met mensen met een zorgnood gaat me nauw aan het hart.”
Is dat directe contact ook hetgeen de eerste lijn zo waardevol maakt?
“Zorg dicht bij mensen thuis is inderdaad essentieel. Dat patiënten rechtstreeks contact kunnen opnemen met een zorgverlener en ondersteuning krijgen in hun eigen omgeving. Ik denk ook dat de eerste lijn nog belangrijker gaat worden in de toekomst. Alleen merken we wel dat ergotherapie nog niet altijd voldoende terugbetaald wordt. Daardoor is het niet vanzelfsprekend om bijvoorbeeld een zelfstandige praktijk op te starten. Maar ik hoop wel dat dat evolueert. Want er is echt nood aan meer ergotherapeuten in de eerste lijn.”