Blog
23 juni 2026
Blogartikel van het ACCESS-UP team van de Academie voor de Eerste Lijn: Saskia De Bruyn, Hans Deloof, Koen Hermans, Marie-Lise Nédée, Elke Plovie, Didier Reynaert, Nele Van den Cruyce, Joris Van Poucke en Annick Vanhove
Vijftig jaar gezondheidsongelijkheden. 50 jaar inverse care law. Genoeg rapporten, tijd voor ander beleid.
Vijftig jaar geleden beschreef Julian Tudor Hart hoe de beschikbaarheid van goede zorg omgekeerd evenredig is met de nood eraan. Het nieuwe rapport van CM Gezondheidsfonds — gebaseerd op gegevens van 4 miljoen leden — toont aan dat we in België in 2026 nog geen stap verder staan. Het sterftecijfer in arme wijken ligt aanzienlijk hoger dan in rijke wijken, chronische aandoeningen zoals diabetes komen er bijna dubbel zo vaak voor, en gezinnen met het laagste inkomen besteden zes keer meer van hun budget aan zorg dan de hoogste inkomensgroep. Tussen 2011 en 2023 is die kloof alleen maar groter geworden, en sneller dan in de buurlanden. Dat is geen ongeluk. Dat is een keuze, of beter gezegd, het niet maken van andere keuzes.
Het rapport bevestigt daarmee opnieuw wat we al vijftig jaar weten maar al even lang onvoldoende aanpakken: wie zorg het meest nodig heeft, krijgt het minst. Niet omdat we het probleem niet kennen, maar omdat de oplossingen die we er telkens tegenover zetten een te beperkte invulling van toegankelijkheid van zorg hanteren.
Dat zien we ook in de aanbevelingen die opnieuw op tafel worden gelegd. De derdebetaler is een goede maatregel die een oud probleem oplost: wie geen geld heeft, hoeft niet meer voor te schieten. Maar het is niet voldoende om de gezondheidskloof aan te pakken. De drempels die er echt toe doen zoals wantrouwen, schaamte, discriminatie, het gevoel dat die zorg niet voor jou bedoeld is, zijn niet financieel van aard. Toegankelijkheid van zorg is ook een kwestie van een huisarts vinden die je vertrouwt, weten welke stappen je moet zetten, je gehoord voelen wanneer je er eindelijk bent, niet afgeschrikt worden door formulieren of wachtlijsten. Die relationele en procesmatige kant blijft in het actuele debat te veel buiten beeld, terwijl dit het verschil maakt voor groepen die vandaag niet de zorg krijgen waar ze recht op hebben.
Het rapport zelf levert daarvoor het bewijs, zij het tussen de regels. Wijkgezondheidscentra slagen er opvallend beter in om de kloof qua toegang tot de eerstelijnszorg nagenoeg weg te werken. Niet toevallig zijn plekken waar zorgverleners multidisciplinair samenwerken, waar wordt ingezet op een buurtgerichte aanpak om vertrouwen en samenhang te versterken en waar ook maatschappelijk werkers deel uitmaken van het team die ruimer kijken dan gezondheid en ook de structurele determinanten in beeld brengen en hiermee aan de slag gaan. Die combinatie van geïntegreerde zorg en sociale begeleiding pakt drempels aan die in cijfers over remgeld of medische consumptie niet zichtbaar zijn, maar in de praktijk vaak bepalend zijn: vertrouwen, continuïteit, het gevoel ergens terecht te kunnen. De wijkgezondheidscentra maken bovendien duidelijk dat nabijheid, rechtenverkenning en aanwezigheid in de buurt cruciaal zijn om aan die drempels te werken. Tegelijkertijd zien we dat andere sociale diensten steeds verder weg zijn, zeker in meer landelijke gebieden, waar steeds meer deuren gesloten worden en men verwacht dat mensen wel via allerlei digitale kanalen hun weg vinden.
Er wringt ook iets in hoe we dit soort vraagstukken onderzoeken. We leunen op indicatoren en kwantitatief onderzoek: gezondheidsenquêtes, gebruikscijfers, mutualiteitsdata. Dat soort onderzoek is onmisbaar om de omvang van het probleem aan te tonen, zoals dit rapport opnieuw doet. Maar het is minder goed in staat om de relationele en procesmatige elementen in beeld te brengen, omdat die zich niet makkelijk in een dataset laten vatten. Wie als patiënt ervaart dat hij niet serieus genomen wordt omwille van zijn afkomst of zijn taal, maakt een andere afweging om al dan niet terug te gaan. Dat is geen randverschijnsel — het is een structurele drempel die zelden in een dataset verschijnt. Wie wil begrijpen waarom mensen zorg uitstellen, hoe schaamte, onbegrip of ervaringen met discriminatie en racisme meespelen, of waarom de weg naar een wijkgezondheidscentrum voor de ene wel en voor de andere niet werkt, heeft ook onderzoek naar geleefde ervaringen nodig. Niet als aanvulling achteraf, maar als evenwaardig instrument naast de cijfers.
Ons eigen onderzoek van de Academie voor de Eerste Lijn naar de toegang tot de eerstelijnszorg en de rol van allerlei sociale actoren hierin bevestigt dat beeld. Laagdrempelige werkingen, maar ook vrijwilligers die dicht bij mensen staan, kunnen drempels wel degelijk verlagen, maar enkel wanneer zorgprofessionals en diensten zelf outreachend werken. Wachten tot mensen de weg naar de zorg vinden, volstaat niet voor wie al jaren ervaart dat die weg niet voor hen gemaakt is. Het is de zorg die naar de mensen toe moet bewegen, niet omgekeerd en het is de zorg die zich insluit in de logica van de laagdrempelige diensten en niet omgekeerd.
Het rapport van CM is een belangrijk signaal. Maar rapporten veranderen geen systemen. Aan de beleidsmakers die dit rapport nu op hun bureau hebben: investeer in de wijkgezondheidscentra die al bewijzen dat het anders kan. Investeer in laagdrempelige werkingen die indirect bijdragen aan een betere toegankelijkheid. Train en financier outreachende zorgprofessionals. En luister naar de mensen die nu buiten de boot vallen. Cijfers tonen het probleem. Geleefde ervaringen tonen de weg. Na vijftig jaar is het tijd om die weg ook te nemen.